Kenia
Nairobi
Met mijn vrouw logeer ik twee dagen in een nonnenklooster. 12 montere, eest jonge vrouwen dartelen door het grote gebouw. Ze zijn afkomstig uit verscheidene landen o.a Vietnam.
Er wordt samen gegeten, gebeden en gezongen. Zo hoort dat ook.
Het is een open gemeenschap valt mij op.
Al wandelend over het terrein zie ik een aantal jongeren ,keurig in een rij staand, de afwas doen.
Iedereen in het wit gekleed.
Mijn nieuwsgierigheid is gewekt. Wat heeft dit te betekenen?
De overste vertelt me dat kansarme jongeren, meest meisjes, uit arme wijken hier een opleiding krijgen.
S ’morgens praktijk en s’ middags lessen in voeding, koken, schoonmaken, het serveren van gerechten.
Dit alles in een gedisciplineerde setting.
Na de opleiding, die varieert van een half tot 2 jaar, gaan ze aan het werk in restaurants of aanverwante ondernemingen.
Het project loopt al ongeveer 4 jaar. Met groot succes.
Ongeveer 230 jongeren hebben vanuit dit klooster een baan gekregen.
Dit project wordt gefinancierd door Porticus, het ontwikkelingswerk van Brenninckmeier(Cen A).
Kijk en dan zijn we trots. Verbeter de wereld. Begin bij de jeugd.
Het is een open gemeenschap valt mij op.
Vliegtuig Lamu
Zandstrand op het eiland Lamu
Ik wacht op mijn ontbijt
Daar wacht een boot vol zand
Ik kijk toe van boven
Mannen lopen door het water
Mannen dragen zand naar het strand
Zand in een korf op hun hoofd
Tien zware kilo’s
De ober serveert mij een karafje sinaasappelsap
De mannen vormen een estafette
Dragen de korf over
Ik geef de karaf door aan mijn vrouw
Mannen lopen in een straf tempo
Ik dompel een theezakje in een kop heet water
Mannen dragen hun last in afgemeten snelheid
Traag drink ik thee uit mijn kop
Mannen veroveren het podium
Ik maak al kauwend deel uit van dit theater
Mannen lopen in een gestaag ritme
Opspattend water klinkt als de klank van een viool
De stem van de ober gaat over in gezang
De stampende voeten als basgitaar
De glimlach van mijn vrouw verraadt bewondering
De mannen spelen het spel virtuoos
In onze harten klinkt het applaus
Het is hier verdomme vredig op aard
Op safari
Daar zit je dan braaf de loop der dingen af te wachten.
Met het woord door elkaar geschud scoort een scrabbelaar, wij rekenen het vanaf nu niet meer goed.
Wij ondergaan dit lot manmoedig.
Staand in de terreinwagen onderga je de grootse schoonheid van dit dierenparadijs.
He, daar loopt een olifant, roep ik.
Laat ik maar sterk beginnen.
En nog een, roept mijn vrouw nog harder
Daar lopen er nog meer, vult mijn dochter aan.
Och, wat gaat het er vredig aan toe.
De dag kan niet meer stuk
Tot….
Plots stopt onze gids.
Wat krijgen we hier te zien?
Kijk, zegt de gids, de cheeta’s zijn op jacht.
En inderdaad we zien er vijf van veraf al sluipend naderen.
Een indrukwekkend schouwspel.
En dan gebeurt het.
Een van cheeta’s gaat rennen, versnelt de pas, gaat zweven bijna.
Hij heeft zijn prooi in het vizier.
Het slachtoffer, een groot hert, rent voor zijn leven.
De sluipmoordenaar springt hoog op tegen het achterlijf van het hert.
Dan klinkt een wanhoopskreet op vanaf de vele kijkers.
Het zal toch niet?
Het gebeurt niet. Het roofdier laat zich al vastbijtend enige seconden meesleuren.
Dan laat het beest los.
Een zucht van verlichting meen ik te horen. Het hert is gered.
Jammer dat jullie de killing hebben gemist, zegt de gids ietwat teleurgesteld.
Hadden we die herten afmaakpartij wel willen zien? Vroeg ik me af.
Heeft wel een grote woordwaarde.
Die houd ik er in.
Ps
S ’avonds vernemen wij dat het hert alsnog is gepakt door die 5 cheeta’s.
De moordpartij heeft een vol uur geduurd.
Toch een domper op deze mooie dag.
Vogel
Wat voor vogel is dat ?vraagt een Duitse jonge arts. Een Madagaskar zeg ik voor de vuist weg. Oh, zegt ze. Even later krijgt ze van mijn vrouw te horen dat ik geen vogel bij naam kan noemen.
Oh, hoor ik de vrouw verzuchten.
Inderdaad ik ben geen vogelkenner.
Ik ken de zwarte, de witte en de grijze kraai.
Ik ken de witte, de zwarte, de grijze en de blauwe reiger
Ik ken de zomermus, de wintermus en de herfstmus.
Nou, dat vind ik voor mijn doen al heel veel.
He, daar zag ik een hagedis bij het vijvertje lopen.
Toch blij dat ik dat beestje kan thuisbrengen.
Weet ik nog van mijn kindertijd.
Verdorie, daar komt een tweede hagedis aangewaggeld.
Het beest is rood. Dat zal dan wel de rode hagedis zijn.
Zo zie je maar weer….
Oh, hoor ik de vrouw verzuchten.
Inderdaad ik ben geen vogelkenner.
Ik ken de zwarte, de witte en de grijze kraai.
Ik ken de witte, de zwarte, de grijze en de blauwe reiger
Ik ken de zomermus, de wintermus en de herfstmus.
Nou, dat vind ik voor mijn doen al heel veel.
He, daar zag ik een hagedis bij het vijvertje lopen.
Toch blij dat ik dat beestje kan thuisbrengen.
Weet ik nog van mijn kindertijd.
Verdorie, daar komt een tweede hagedis aangewaggeld.
Het beest is rood. Dat zal dan wel de rode hagedis zijn.
Zo zie je maar weer….
Bij de Massai
Het lijkt een mooie ochtend te worden.
Samen met mijn dochter en een begeleider.
Toeristisch fietsen langs dorpjes en door pure natuur.
Maar wat doe ik in dit berglandschap?
Klimmen en dalen bij meer dan veertig graden onder een verschroeiende zon.
Dan, ja dan….
Ik doe wat ik nooit doe: opgeven.
Acute ademnood.
Ik voel me als een renner die moet opgeven in de tour de France .
Achterop de motor rijd ik zielig rondkijkend terug naar af.
Hang even later in een ligstoel.
Gedoemd tot nietsdoen.
Het zijn de elementen die me tot inkeer brengen.
Jongen je bent 79, voor wie wil je nog bewijzen.
Die woorden spreekt mijn vrouw regelmatig uit.
ik geef me over. Ademnood.
Nu zit ik stil in gepeins te denken over de laatste zin van mijn stukje.
Geniet nou maar van het uitzicht ,zegt mijn vrouw.
Ik schrijf het van me af, zeg ik ,hopend op wat mededogen van mijn vrouw.
Er volgt geen enkel blijk van medelijden. Integendeel.
Eindelijk word je wijs, voegt ze me toe.
Rest nog die laatste zin in dit stukje.
Altijd door, nooit terug, dan maar dood is een van mijn lijfspreuken.
Ik moet het woord is veranderen in was.
Kinderen en nijlpaarden in Kenia
Wij verblijven aan het meer van Naivasha.
Een jonge vrouw loopt met haar twee kinderen onze richting op.
De kinderen spreken onze taal. Dat schept direct een band.
In het meer verblijven nijlpaarden. Dat wordt wat lastiger.
Het tentje van de landgenoten staat op nog geen tien meter van het meer.
Daar waar de nijlpaarden op de loer liggen, spookt het in ons hoofd.
De jonge vrouw is blijkbaar thuis hier op het terrein.
Desgevraagd zegt ze te werken op de ambassade in Kenia.
Haar man is voor een congres in Zuid- Afrika.
Nu is ze er alleen weekend tussen uit.
We maken kennis met haar kinderen van 7 en 5.
De oudste spiedt met verrekijker het water van het meer af.
Kijk ma, er komt een hippo(nijlpaard) op het strand.
De kinderen raken niet in paniek.
Toch is hier een jaar geleden een kind gedood door een hippo, zegt mijn dochter.
Het strand was niet goed beveiligd, antwoordt de vrouw.
De hippo is intussen weer te water gegaan, zie ik.
De vrouw wandelt met haar twee kindertjes terug naar het tentje.
Toch heeft het jongste kind iets meegekregen van ons gesprek.
Wat is er gebeurd met dat meisje mama? Hoor ik haar vragen.
Wat zou ik vroeger aan mijn kinderen hebben geantwoord?
De waarheid?
Zie je die draad daar 10 meter van het meer? Dat is schrikdraad.
Het is een soort stoplicht dat altijd op rood staat.
De beesten mogen dus nooit doorlopen.
Als ze toch doorlopen voelen ze een schok door hun lijf.
Nou als ze dat voelen gaan ze snel terug.
En dat verhaal van dat meisje, pap?
Het sprookje van Roodkapje ligt op mijn lippen.
Edoch..
Ik denk dat die vrouw gewoon de waarheid vertelt.
Zij en de kinderen zijn gehard hier in Kenia.
Daar horen geen sprookjes van Roodkapje bij.