Corona
Corona in La Mare aux Boeufs.
Een gehucht in Noord Frankrijk.
Vier huizen en een boerderij.
Kortom we zijn in heuvelland met akkers, weilanden en veel bossen.
Het is lente. De natuur hebben wij zien ontwaken.
Boeren rijden af en aan met de grootst mogelijke machines.
De straffe noordenwind, het gekwetter van vogels,
en voorbijrazende ronkende tractoren doen ons ontwaken.
De ochtendkoude wordt verdreven door de zon, die al vijf weken fel brandt.
In het weiland lopen sinds Pasen 7 jonge koeien.
Een lust voor het oog.
De boerenzwaluwen vliegen af en aan.
Hier verblijven wij.
In een oude boerderij met een lange hoge schuur.
Daar vinden de zwaluwen ,mussen en een verdwaalde uil een veilig onderkomen.
Het is stil hier.
Maar toch.
Iedere middag komt Madam Police ons met een kort bezoek vereren.
Ze is 85 en zwaar dement.
Soms is ze gejaagd. Heeft iets opgevangen over het virus.
Wij schrijven op een papiertje dat ze tijdens haar bezoek steeds op twee meter afstand van ons op een stoel zit. Het zegt haar niets.
Ze woont naast haar zoon, die boert op de oude boerderij.
Diens vrouw, een stadse schone gelijk, wandelt iedere morgen met haar hond over de akkers en zandweggetjes. Ze kijkt verdwaasd. Schreeuwt naar haar man en de hond.
Als een jankende jakhals, zo klinkt het. Het heeft iets angstaanjagend.
Twee honderd meter verder woont een alleenstaande vrouw van even vijftig uit Parijs.
Een onbuigzaam type. Eenmaal thuis in de hoofdstad springt zij op de barricades. Iedereen die de natuur geweld aan doet, verkettert zij.
Er schuilt een aardig mens achter haar pose van onverzettelijkheid.
Een Hollands echtpaar woont iets verderop. Afgelegen ook. Verscholen tussen bomen.
Ze maken geen wandelingen. Het Corona virus ligt overal op de loer, beweren zij.
Wij begroeten hen tijdens onze dagelijkse wandeling en maken een praatje.
Lieve mensen zijn het. Kijken iedere dag bewonderend, omdat wij het wagen ons zo ver van huis te begeven. Macron houdt immers een oogje in het zeil.
Je mag niet verder dan een kilometer uithuizig zijn. Zeker niet joggen of iets dergelijks.
Vijf gezinnen in La Mare aux Boefs. Een prachtig gehucht.
Goed om er vakantie te vieren. En dat doen wij, mijn vrouw, mijn dochter en ik.
Maar dan die hersenen. Die tikken ons iedere ochtend wakker met een naar gevoel.
Het gaat niet goed met ons land. Braaf volgen wij de preken van Rutte, Macron en Trump. Na de stupide uitspraken van die wereldleider gaan we een rondje wandelen.
Het echtpaar verderop troost ons met een lief vriendelijk oppeppertje.
Zo hoort het ook. Samen.
PS als je wilt iets meer weten over ons oord:.
https://vakantiehuislamare.nl
De Franse slager uit een klein stadje haalt vlees uit de koeling en vraagt, wijzend op het uitgestalde: combien? Pour trois personnes, antwoordt mijn dochter.
Vakkundig, slagers eigen, snijdt hij een mooi stuk entrecote af.
Met zijn grote blote handen grijpt hij maar een stuk papier en wikkelt het in, ondertussen hoestend en kuchend.
Mijn dochter betaalt en krijgt wisselgeld terug uit die zelfde grote blote klauwen.
Twee dagen later arriveren mijn vrouw en ik in La Mare aux boeufs.
Niet kussen pa, blijf maar op een afstandje voorlopig.
Ik weet hoe jij in je dorp rondscharrelt. Mij goed, zeg ik gelaten braaf.
Diezelfde avond kondigt president Macron een Lock down af.
De volgende dag na 12 uur gaan de grenzen dicht.
Dochterlief: Madame Police, de demente buurvrouw van 85, is niet meer welkom hoor.
Zij kan ons besmetten pa, je weet het maar nooit.
Zij gaat iedere dag naar een opvanghuis.
De volgende ochtend pakt de vriend van mijn dochter zijn spullen en vertrekt.
Wie weet hoe lang het nog zal duren eer hij veilig naar Nederland terug kan keren, meent hij.
Daar staan we dan. Ouders en dochter. Een onverwacht avontuur tegemoet.
Geen nood. Drie keer per week komt het bakkertje langsgereden.
Haar bus stopt, er klinkt getoeter en het luik wordt geopend.
Ook vanmorgen dinsdag 18 maart.
Mijn vrouw is vroeg opgestaan en rent naar de bus.
Bonjour, klinkt het. Deux baguettes.
Het bakkersvrouwtje grijpt twee stokbroden, overhandigt ze en pakt met de andere hand het geld aan. Het wisselgeld wordt keurig gepast teruggegeven.
Met een adieu trekt even later het busje op.
Zo doet vanmorgen enkele dorpen en gehuchten aan.
En vraagt mijn dochter, had ze zich beschermd? Nee, zegt mijn vrouw.
Handen wassen, nu meteen. Die vrouw is een rijdende besmettingsaard.
Die Fransen ook. Ze leren het nooit. De apotheker, waar ik paracetamol, kocht zei het ook al. Alles gaat hier nog steeds met de Franse slag.
Zijn we hier wel veilig? Het antwoord?
Het antwoord.
Ik ben ziek, biecht dochterlief enkele dagen later op.
Neem wat paracetamol, adviseer ik.
Maar de klachten met hoofdpijn en drukkend benauwende pijn bij ademhalen verergeren.
Een arts wordt geraadpleegd. Die verwijst naar een coronapost bij een ziekenhuis. Hoe loopt dit af?
Na enkele uren de niet verwachte diagnose: Besmetting door het vermaledijde virus.
De toon is gezet. We spelen deel twee van het zo mooi begonnen concert. Maar wel in mineur.
Plots wordt ons onderkomen, dit unieke plekje waar we ons veilig voelden, een oord waarop met grote letters staat geschreven: pas op, betreden levensgevaarlijk!
Het kan toch niet waar zijn, roept de dochter uit. Die slager heeft mij besmet, ik weet het zeker.
Ik zoek in het woordenboek op hoe je quarantaine schrijft. Iedere ochtend staat buiten tafeltje drie klaar voor het ontbijt van de dochter. Iedere ochtend dezelfde vragen. Het gaat wel, is het standaard antwoord.
Waarschijnlijk vooral bedoeld om haar ouders gerust te stellen.
Intussen slapen wij ook apart. Regis wordt regelmatig gebeld. Hij heeft geen klachten verzekert hij ons. Zouden wij bij hem enige achterdocht opwekken?
Een week vol spanning nadert zijn climax. En dan is het Pasen, de dag van opstanding.
De dochter loopt vrolijk rond. We kunnen weer lachen.
We willen naar buiten, de paden in.
Voor alle zekerheid maar in het donker wandelen, die eerste week.
Slechts een kilometer van je huis, mag je.
We lopen over onverharde wegen. Daar zal de politie ons wel niet kunnen vinden.
Nou, verkeerd gegokt. Op de tweede avondwandeling scheert een helikopter vlak boven onze hoofden. Frankrijk is in oorlog. We zijn zelfs hier niet veilig.
We kruipen weg onder een boom, nog zonder blad. Dat ook nog.
We hebben geluk. De helikopter vliegt door.
Vlug naar huis. Licht uit en naar bed.
De volgende ochtend vernemen we dat het leger zwaar zieke corona patiënten naar de betere ziekenhuizen vervoert.
We bellen Régis. Onze klusjesman. Maak je geen zorgen, stelt hij ons gerust.
Hier op het dunbevolkte platteland zijn geen kwelgeesten zoals het virus Corona of gendarmes. Régis demonteert een tractorwiel dat lek is
Mijn dochter helpt hem daarbij. We drinken koffie en weg is Regis.
Régis, de eerste hulp bij voorkomende ongeregeldheden, verschijnt plotseling.
Vervangt een gebroken ruit in een venster.
Hij heeft het moeilijk. Ademt zwaar en kucht.
Wat is er aan de hand Regis? vraagt de dochter
Je suis malade.
Ben je ziek?
Oui. Ja dus?
De paniek slaat toe.
Ik voer een telefoongesprek met een bevriend arts.
Hij hoort onze opgefokte stemmen.
Ik vertel hem wat gaande is.
Gooi die man er uit, roept hij.
Zijn stem klinkt duidelijk door luidspreker van mijn mobiel.
Hij blijft maar herhalen:
Er uit met die man..
Régis lacht om onze paniekaanval
Met een: Ik heb ieder jaar last van hooikoorts, tempert hij onze
hysterische uitlatingen.
De zee lijkt kalm, maar plots doemt een hoge vloedgolf op.
We gaan kopje onder.
Zo’n droom kan een onzichtbaar virus oproepen.
Die middag houd ik me bezig met het fatsoeneren van de stenen trap bij de voordeur.
Daar rijdt Regis het erf op.
Vijf minuten later scheurt hij weer weg.
Mijn dochter komt me vertellen dat ze hem 100 euro heeft geleend,
Waarvoor? Het was dringend zei hij. Hij was erg gejaagd.
Een uur later is hij weer terug.
Praat lang met mijn dochter.
Wat is er? vraag ik, als ik me nieuwsgierig bij hen voeg
Handige boeven hebben zijn geld gestolen van zijn internetrekening .
15.000 euro weggesluisd. Hij zegt bankroet te zijn.
Heb je politie gewaarschuwd?.
Doen niks zegt hij.
En die 100 geleende euros?
Moest ik storten om een bepaalde code te verkrijgen.
Die euro’s ben ik ook kwijt, omdat de gestuurde code niet klopte.
Nu vraagt hij nogmaals om 100 euro. De dochter weigert hem tegemoet te komen..
Heb je geen vrienden? Vraagt ze..
Hij schudt nee.
Teleurgesteld gaat hij op zoek. Ja naar wat?
Régis is een gezette ronde man die meer dan 90 kilo met zich meedraag.
Hij maakt een zielige indruk.
Goed dat je niet opnieuw hem geld hebt geleend.
Dat gestolen geld krijgt hij nooit terug.
Eindelijk een rustige dag,
Die eindigt onverwacht toch nog hilarisch.
Op de stille landweg staat een jonge vrouw naast haar fiets, die zwaar beladen is.
Het bekende beeld: Een zwaar vermoeid ogende fietser met teveel bagage meezeulend.
Deze vrouw houdt twee lege plastic flessen in haar hand.
De fiets hangt schuin tegen haar frêle lijf.
Ik twijfel geen moment. Kom mee, zeg ik.
Ze volgt gedwee.
Mijn vrouw en dochter schrikken bij het plotseling verschijnen van een wildvreemde vrouw .
Wat nu weer?
Ze wil water en ze kan hier ook slapen, stel ik voor.
Vijf minuten later zit een onbekende vrouw op gepaste afstand haar verhaal te vertellen.
Zegt: Ik ben op de terugweg naar België na een maandenlange fietsreis door Europa.
Met een brief van de Belgische ambassade mag ik de terugreis op de fiets maken.
Kostte best wat moeite want de Belgen van de ambassade in Parijs spreken geen Nederlands.
De Franse wegen zijn uitgestorven. Wel een bekeuring gekregen. De Franse politie wist niet wat ze met me aan moesten. Dus gaven ze maar een bekeuring.
We hebben een caravan in het bos. Je kunt er overnachten als je wilt, zeg ik.
Ze is een ondernemend type en laat dat direct merken.
Ik wil best een aantal dagen blijven met het verrichten van voorkomende werkzaamheden als tegenprestatie
Zien we morgen wel, is het antwoord. Na een dag wat schilderwerk voelt ze zich helemaal thuis.
Wie weet hoe lang ze nog blijft.
Ze is de eerste gast op de boerderij van mijn dochter.
We gaan de zevende week in, hier het zonovergoten landelijke La Mare.
370 kilometers van huis.
Ik ben aan mijn zesde boek begonnen.
Ik hoor vogels fluiten. De boerenzwaluwen vliegen af en aan. Scheren over mijn hoofd door een open ruimte de schuur in.
In het weiland scharrelen de koeien in het rond.
Na een kwartier word ik overmand door een niet te stuiten dreiging van slaap.
Dan het geronk van een zware tractor.
Boeren zitten niet stil. Voor hen bestaat er geen coronacrisis.
Corona komt voor ons tot leven als we ‘s avonds laat de t.v aanzetten.
En gisterenmiddag, toen een Dorpelinge ons een aantal geprinte formulieren kwam brengen. Zo’n papier moeten we met persoonlijke gegevens invullen voordat we ons op straat gaan begeven richting supermarkt of arts.
We ontvingen deze week ook monddoekjes van de man die als gemeentewerken het gras van de bermen maait.
Frankrijk denkt aan ons. Dat blijkt maar weer.
Onze demente buurvrouw komt enkele dagen achtereen vragen of we de bril, die ze parmantig toont, verloren zijn.
Vandaag, de vierde dag, roep ik haar blij toe dat de bril mij toebehoort.
Blij als een kind gaat ze huiswaarts.
Het zijn de kleine dingen, die het doen, is een titel van een lied.
Zo leven wij hier voort, genietend dansend op de eenvoud van het bestaan hier.
Het Hollandse echtpaar heeft na zes weken de wandeltocht naar ons aangevangen.
Geen gendarmes gezien, vragen wij ietwat spottend.
Die ochtend maken zij plots deel uit van een 9 koppig gezelschap.
Régis, de klusjesman. Christien de Belgische wereldreiziger op de fiets. David, de dakdekker. Madam Police, onze buurvrouw. Mijn vrouw, mijn dochter en ik.
Over Corona wordt niet gesproken. De Franse wuiven iedere verwijzing ernaar bijna triomfantelijk weg.
Marien, de man van Hollandse echtpaar, maakt zich na de koffie verdienstelijk.
Hij sluit de zonnepanelen vakkundig aan. De meter loopt terug. Een wonder geschiedde na twee jaar vruchteloos toekijken.
De dakdekker komt met de mededeling dat de pannen aan de noordkant van de boerderij moeten worden vervangen.
Hoe begon ik dit verhaal ook weer?
De rust, de schoonheid van al wat leeft in en rond de boerderij verheerlijkte ik.
We staan weer in de werkelijkheid van ons bestaan.
De dakdekker haalt ons uit het het sprookje hier, dat eeuwig leek te voortduren.
Morgen breng ik de offerte, zei de man.
Het woordenboek hoefden wij niet op te zoeken.
De volgende ochtend komt Jean Luuc iets opmeten.
Hij kapt bomen en zaagt er planken van in alle soorten maten.
Hij komt vanmorgen opmeten.
Hij gaat hout leveren nodig voor het maken van een extra slaapkamer op de schuurzolder.
Wil ons naar goed Frans gebruik de hand schudden.
Niet doen pa, je weet het nooit zeker, zegt de dochter.
Jean lacht ietwat schampertjes.
Niks aan de hand hier op het platteland.
Na de opmeetsessie is er koffie.
Die Fransen hebben alle tijd.
Duurt wel een tijd voor ze een afspraak nakomen.
Morgen kom ik terug, zegt Jean Luuc.
Waarom? vraagt de dochter.
Mijn schrift is onleesbaar, kijk maar.
Morgen neem ik mijn kameraad mee.
Die kan beter meten en schrijven.
Geen probleem Jean Luuc..
We overleefden Frankrijk
Vandaag terug naar huis.
Vanmorgen vroeg opgestaan.
Daar passeert boer Lambert, gezeten in zijn tractor.
Hij haalt iedere ochtend voer voor zijn mestvee.
Ik roep hem toe. Hij stopt.
Een kort maar droevig gesprek volgt.
We worden begeleid door het knorren van zijn tractor.
Je vrouw, zeg ik na enige aarzeling.
Ik weet het, zegt hij.
Hij laat zijn hoofd hangen. Ze is ziek.
Depressief. Jaloers ook. Bang dat hij langzamer voorbij de boerderij rijdt om mijn dochter te zien.
Zijn vrouw voelt zich niet thuis meer op de boerderij.
De eenzaamheid maakt haar tot een radeloos ronddolend mens.
Ik leg mijn hand op de schouder van Lambert.
Hij knikt me toe en blijft doelloos voor zich uitsturen.
Au revoir, roep ik hem toe.
Die zelfde ochtend fiets ik mijn laatste rondje door de schoonheid van het Franse boerenland.
Het is op en af.
Ik begroet Madame Police ,de moeder van Lambert..
Ze heeft geen weet van het drama in en rond de boerderij, waar zij ooit met haar man boerde.
Ze dwaalt de hele dag door de verlaten straat, eigen aan haar ziekte.
Af en toe wijkt ze voor een voortrazende Renault vier.
Ze verdwijnt in het opwaaiende stof van de opgedroogde bermen.
Ik praat graag met haar over het verleden.
Ze kent de geschiedenis van dit gehucht dat platgewalst werd door de schietlustige Duitsers uit WO1. In dit dorp lagen de Duitsers oog in oog met de Fransen.
Hier vielen de ontelbare doden.
Even verderop passeer ik het onderkomen van de Parisienne.
Een strijdlustige, heldhaftige vijftiger.
Sluit zich aan bij de protesterende Fransen van de Gele Hesjes.
Houdt zich vooral bezig met die vermaledijde eerste Wereldoorlog.
Ze haat lieden, die met metaaldetectors het bosrijke gebied afstruinen om een of ander Duits relikwie te bemachtigen. Pure hebzucht.
Ze is thuis, maar ik wil haar niet storen.
Bang ook om duizend en één verhaal te moeten aanhoren over de slechtheid van de mens.
Verder gaat mijn rondrit.
Mijn Hollandse vriend stookt een vuurtje.
Een zeer aimabele man, die veel van zijn tijd besteedt aan zijn land vol bomen en bramenstruiken.
Hij komt als ik hem roep uit zijn wildernis te voorschijn. We kletsen wat en zijn het samen eens:
Raar zeldzaam gehucht. Veel sterfgevallen in de nabije dorpen. Regeert de duivel hier nog voort?
De weg is bochtig en soms zeer steil.
Daar lopen drie jonge meisjes in iets te strakke spijkerbroeken.
Ik kijk er naar. Dat mag ook wel na al die weken verschoond te zijn van loslopend vrouwelijk schoons. Dictator Macron, schiet het door mijn gedachten. Ik begroet ze de meisjes. Nog niet naar school?
Ze roepen wat terug. Ik kijk om. Twee meisjes met een bril en een met beugel in. Tienermeiden.
Ik draai een zandweg in. Daar woont Ger.
Sinds in zijn scheiding en de verkoop van de riante woning huist hij in een stacaravan.
Hij zwaait me toe en biedt me een glas koud water aan.
Ger verbouwt een grote schuur. Neemt er jaren de tijd voor.
Is optimistisch van aard. Hij klust hierheen daar.
Een typische einzelgänger. Hij filosofeert graag.
Geeft me nog een wijze raad mee hoe om te gaan met het virus.
Als je angstig ben om dood te gaan vanwege het virus, ben je ook angstig voor het leven.
De laatste meters. Ik stap af voor het weiland in de buurt. Koeien rennen op me af.
Is er nog nieuws? maak ik op uit hun nieuwsgierige blikken. Ja, morgen gaan we naar huis.
Teleurgesteld draaien zij zich om.
Terug naar huis.
Tien weken met vrouw en dochter van de buitenwereld afgescheiden.
Bevrijd van de dagelijkse beslommeringen van thuis.
Thuis.
Naar de kapper, de tandarts en apotheek.
Buren bijpraten. Kinderen zien. Op gepaste afstand leven.
De eerste afspraak ligt vast. Een nieuw boekwerk.
Subsidie aanvragen voor een kunstwerk nav 375 bestaan ons dorp.
Tien weken bevrijd van dingen die zo nodig moeten.
Maar ik weet ook: dat heilig moeten houd je op de been.
Dus: op naar huis en snel!